U bevindt zich op: Home › Producten en Diensten › Burgerzaken › Nederlandse Nationaliteit › Nederlandse moeder en niet-Nederlandse vader
Ik ben vóór 1 januari 1985 geboren uit een Nederlandse moeder en een niet-Nederlandse vader. Ben ik Nederlander?
Indien u vóór 1 januari 1985 buiten Nederland bent geboren als het wettige, gewettigde of erkende kind van een niet-Nederlandse vader en een Nederlandse moeder, dan heeft u de Nederlandse nationaliteit niet verkregen door geboorte. Onder de werking van de destijds van kracht zijnde Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap (WNI) van 1892 kon een kind het Nederlanderschap alléén ontlenen aan de Nederlandse vader.
Indien u vóór 1 januari 1985 in Nederland bent geboren als het wettige, gewettigde of erkende kind van een niet-Nederlandse vader en een Nederlandse moeder, dan heeft u in principe de Nederlandse nationaliteit niet verkregen door geboorte, tenzij u hierdoor bijvoorbeeld staatloos zou worden omdat u de nationaliteit van uw vader niet kreeg door geboorte. Als vervolgens tijdens uw minderjarigheid, maar vóór 1 januari 1985, bleek dat u toch de nationaliteit van uw vader door geboorte had verkregen, dan werd u geacht het Nederlanderschap nooit te hebben bezeten.
De positie van de (Nederlandse) vrouw in het nationaliteitsrecht is door de inwerkingtreding van de huidige Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) op 1 januari 1985 aanmerkelijk verbeterd. Sindsdien kan een Nederlandse moeder ook het Nederlanderschap doorgeven aan haar kinderen die op of na 1 januari 1985 zijn geboren. Dat de positie van de vrouw in het nationaliteitsrecht niet eerder is gelijkgesteld met die van de man, is gelegen in het belang dat destijds werd gehecht aan het voorkomen van meervoudige nationaliteit en de eenheid van nationaliteit binnen het gezin.
Overigens werd bij Rijkswet van 14 november 1963 een begin gemaakt met de gelijkstelling van de geslachten, doordat bij die wet de onafhankelijke positie van de gehuwde vrouw voor het nationaliteitsrecht werd ingevoerd, dit in navolging van het Verdrag van New York over de nationaliteit van de gehuwde vrouw van 20 februari 1957. Verdere consequenties heeft men toen echter niet onder ogen willen zien. Pas met de invoering van de huidige RWN werd aan het beginsel van gelijkheid der geslachten een groter gewicht toegekend dan aan het belang van het voorkomen van meervoudige nationaliteit.
Om toch enigszins tegemoet te komen aan (nog minderjarige) niet-Nederlandse kinderen van Nederlandse vrouwen die voor 1 januari 1985 zijn geboren, is in artikel 27, tweede lid RWN zoals dat luidde tot 1 april 2003 bepaald dat deze kinderen het Nederlanderschap kunnen verkrijgen door het afleggen van een (optie)verklaring. Voorwaarden hiervoor zijn dat het kind op 1 januari 1985 de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt en dat het kind niet gehuwd is of is geweest. Indien het kind de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, moet de verklaring door de moeder worden afgelegd. De wetgever heeft ervoor gekozen dat deze verklaring alléén kon worden afgelegd van 1 januari 1985 tot 1 januari 1988.
Het bovenstaande heeft alleen betrekking op personen die op of na 2 januari 1964 maar vóór 1 januari 1985 zijn geboren. Bent u vóór 2 januari 1964 geboren, dan kon geen gebruik worden gemaakt van de optiemogelijkheid.
Het kan zijn dat uw moeder en/of uzelf niet op de hoogte was van deze optiemogelijkheid. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de RWN op 1 januari 1985, heeft het ministerie zich naar behoren ingespannen om goede voorlichting te geven over de bedoelde wet.
De instrumenten die hiervoor onder andere zijn gebruikt:
Zowel de Nationale Ombudsman als de rechtbank in Den Haag hebben vastgesteld dat de Nederlandse overheid, in dit geval het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Nederlandse vertegenwoordigingen, de voorlichtende taak in voldoende mate hebben vervuld. Er heeft voor de Nederlandse vertegenwoordigingen géén verplichting bestaan potentiële optanten ongevraagd te wijzen op de optiemogelijkheid. De Nederlandse overheid vindt bovendien dat van Nederlanders in het buitenland kan worden verlangd dat zij ook zelf het initiatief nemen om op de hoogte te blijven van de Nederlandse wetgeving en eventuele wetswijzigingen.
Alleen indien blijkt dat aan uw Nederlandse moeder in de periode 1 januari 1985 tot 1 januari 1988 een Nederlands paspoort is verstrekt, zou er aanleiding bestaan tot het opmaken van een zogenoemde verklaring van administratief verzuim. Hieraan kunt u, na overlegging van de nodige bewijsstukken, alsnog het Nederlanderschap ontlenen. Bent u echter geboren in de periode van 2 januari 1964 tot en met 1 januari 1967, dan kan er geen verklaring van administratief verzuim worden opgemaakt op basis van het aan uw Nederlandse moeder verstrekte paspoort, aangezien u de leeftijd van 18 jaar al had bereikt op 1 januari 1985 en dus zelf de optieverklaring had moeten afleggen.
Het is echter mogelijk dat na het opstellen van de verklaring van administratief verzuim blijkt dat u vervolgens het Nederlanderschap weer heeft verloren op grond van de verliesbepalingen van de RWN.
Mocht blijken dat aan uw moeder in de optieperiode (1 januari 1985 - 1 januari 1988) geen Nederlands paspoort werd verstrekt of dat u de leeftijd van 18 jaar al had bereikt op 1 januari 1985, dan biedt de Rijkswet op het Nederlanderschap geen ruimte om af te wijken van de daarin opgenomen bepalingen of om hierop uitzonderingen te maken. U komt dan niet in aanmerking om alsnog het Nederlanderschap te verkrijgen.
De enige wijze waarop u het Nederlanderschap kunt verkrijgen, is door naturalisatie.